Het wordt tijd voor een streepje muziek. De uitslagen van de rally's van dit weekend zijn gegeven en het is dus hoog tijd voor een portie rock van een oude zwartzak.
Gisteren viel ik in slaap met een klassieker. Niet enkel een klassieker in de progrock, maar eigenlijk een klassieker tout court. Zelfs een klassieker in de popmuziek. Er waren dagen dat progrock vrij mainstream was. Moby Dick van Zeppelin, L., overstijgt de rock. Ook een band als The Who en Pink Floyd misstaan onder noemer Pop. Dat was progrock in zijn vroegste vorm en vooral in al zijn verscheidenheid. Mochten er mensen geïnteresseerd zijn in het genre dan moeten ze eerst het oeuvre van Pink Floyd hebben gehoord eer ik nog verder wil gaan over dit onderwerp (bij deze, begin er nu aan of lees niets meer van mijn blog eens het over muziek gaat.)
Die plaat van gisteren dus. Ik heb geloogd. Ik ben een liegenaar. Ik viel niet in slaap met de plaat, want dat is onmogelijk. Twee jaar terug stond ik midden in de nacht twee uur lang vast op de parking (is dat geen Belgische woord?) van het Koning Boudewijnstadion. Echt vast! Ik moest eigenlijk wat slapen, want de dag erop had ik een examen in alle vroegte over de Mongolen en de Tang-dynastie, over de leer van Confucius en over het ongetal nul. Slapen was onmogelijk want de deuntjes zinderden nog na. Hadden jullie het ooit voor mogelijk gehouden dat een progrock band een stadion kon vullen?
In het stadion was er een opperbeste sfeer. Ik stond tussen bijna-gepensioneerden. Op het podium stonden ook bijna-gepensioneerden. Kalende mannen met een veel te jeugdige gitaar in hun handen. Het podium hun klasse overstijgend, en toch. Zanger en ex-drummer puurde een fantastische drumsolo uit zijn vingers, met enkele twee Vic Firth-drumstokken en een barkruk. Ik hield mijn vingers gekruist. De band begon snedig en sneed zijn ouder werk aan. Alles wat ik verhoopte kwam in het openingskwartier uit (behalve een dramatische klank op de Heizel, wink wink). Dit was progrock tot het verviel in pop, tot dat verviel in platte pop. Of vind u dat 'I can dance' van Genesis een cool nummer is?
Nursery Crime dus, de plaat die me uit mijn slaap hield. Een album geheel in de Zeitgeist van de theatrale progrock. Peter Gabriël, de David Bowie, of beter de Ziggy Stardust van zijn genre. Genesis, de Pink Floyd van zijn generatie, de Dire Straits van de volgende generatie en de Kings of Leons van onze generatie. Of hoe progrock pop wordt.
Ik zou nog een recensie kunnen geven maar het openingsnummer the musical box beschrijven ligt niet meer binnen mijn literaire vermogens.
Sandro Delaere: daar luister ik naar. Ik ben student journalistiek en ben daardoor begonnen met deze blog. Deze blog gaat over rally en autosport. Het is één van de weinige blogs in Vlaanderen die op deze manier kijkt naar de autosportwereld. Van tijd tot tijd schaats ik een scheve schaats en wordt er uitgeweid over progressive rock. What's in a name.
woensdag 7 oktober 2009
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten